ALV 2019

Agenda algemene ledenvergadering

 

1. Opening
2. Binnengekomen stukken en mededelingen
3. Verslag van de ledenvergadering van 17 april 2018, zie Informatief 89 van juni 2018
4. Financieel gedeelte
 
  • Financieel verslag 2018 van de penningmeester;
  • Verslag van de kascommissie;
  • Vaststelling van de begroting 2019 en de jaarlijkse bijdrage 2020;
  • Benoeming kascommissie 2019;
5. Bestuursverkiezing
 
  • Verkiesbaar: Jorgos Sparos en Ruben Chau
  • Aftredend en herkiesbaar: Iris Vestjens
6. Jaarrede
   
7. Wijziging statuten, huishoudelijk reglement en reglement rechtsbijstand
8. Actualiteiten
9. Bespreking jaarrede en actualiteiten
10. Rondvraag en sluiting

De vergadering begint op 23 april 2019 stipt om 10u00. Vanaf 9u30 is inloop met koffie/thee.

Julianazaal - Jaarbeurs Utrecht

 

Verdeling Vpb-druk en rente-problematiek; reactie van de VHMF

(Samenvatting. De hele reactie verschijnt begin november 2009 in Informatief)

Op 15 juni 2009 heeft de Staatssecretaris een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met daarbij een zogenaamd "consultatiedocument". Op 30 juli heeft de VHMF een reactie op het consultatiedocument gegeven.

Zelfsturing stort Belastingdienst in chaos

Terwijl het kabinet bezuinigde op de Belastingdienst en er banen schrapte, kreeg de dienst extra taken, faalde de automatisering en drukte de top een omstreden reorganisatie door. Alle problemen kwamen tegelijk.

Moest ze heel hard lachen of juist boos worden? Annemarie uit Haarlem wist het niet.

In haar hand had Annemarie (ze wil niet met haar achternaam in de krant) die ochtend, drie weken geleden, een brief van de Belastingdienst over haar kinderopvangtoeslag 2007. Als bijdrage in de kosten voor de opvang van haar twee kinderen in kinderverblijf De Blauwe Octopus op Schiphol zou de fiscus 38.000 euro betalen. Dat was 36.000 euro te veel.

Het jackpotgevoel maakte plaats voor verbazing. En de verbazing sloeg al snel om in ergernis. Annemarie: „Je weet dat je er toch weer achteraan moet. Je bent nooit klaar met de Belastingdienst.” Vorig jaar ontving ze ook al 7.500 euro te veel.

Annemarie vroeg eens rond in haar kennissenkring. De Belastingdienst bleek op meer plaatsen voor sinterklaas te spelen.

Annemarie staat niet alleen. Veel mensen en bedrijven associëren de Belastingdienst met recordaantallen klachten, zoekgeraakte gegevens, foutieve aanslagen en haperende uitbetalingen. De Nationale Ombudsman concludeerde in maart dit jaar: „De Belastingdienst is door de ondergrens gezakt van wat aanvaardbaar is in de omgang met de burger.”

En dat terwijl de 200 jaar oude Belastingdienst, onderdeel van het ministerie van Financiën, vijf jaar geleden nog het imago had van best georganiseerde dienst van de rijksoverheid. Een dienst met aanzien en gezag, en een scherp toezicht. Dat was in de tijd dat Nederland per blauwe envelop aangifte deed en belastinginspecteurs met een rood potlood klaarzaten.

Hoe kan een competente organisatie in korte tijd zo veranderen? Wie is verantwoordelijk? En: gaat het enkel om automatiseringsproblemen, of is er meer aan de hand?

Allereerst die laatste vraag. De Belastingdienst maakt al vijftig jaar gebruik van computers voor de verwerking van gegevens. Naomi Woestenenk (47), nu directeur van een organisatiebureau maar van 2002 tot april 2007 verantwoordelijk manager voor het beheer en het onderhoud van de automatisering bij de fiscus: „De afgelopen vijftig jaar veranderde de technologie honderd keer. Uit al die fasen zijn er nog netwerken, die het allemaal met elkaar moeten kunnen vinden. Dat noemen we koppelingen, en daar hadden we steeds meer last van.”

Meer bedrijven en overheden hebben last van ‘koppelingen’ zonder dat het zo uit de hand loopt als bij de Belastingdienst. Uit de reconstructie die NRC Handelsblad maakte, blijkt dat er meer aan de hand is.

Ongewenste reorganisatie

Een van de hoofdrolspelers is Jenny Thunnissen (55), directeur-generaal van de Belastingdienst. Zij is in 2000 benoemd, toen Wouter Bos (PvdA) staatssecretaris van Financiën was. Thunnissen kwam net als haar voorgangers uit de gelederen van de Belastingdienst. Ze is ook voorzitter van de PvdA-afdeling in Leiderdorp.

Thunnissen wordt binnen haar dienst getypeerd als onconventioneel. Ze staat bekend om haar slobbertuien. Een ambtenaar uit haar directe omgeving: „Ze neemt geen blad voor de mond, maar kan zelf niet goed tegen kritiek.”

Thunnissen reorganiseerde in 2002 de Belastingdienst. Ze verving de traditionele, hiërarchische organisatie door een platte organisatie met zogenoemde ‘collegiale managementteams’. De fiscus kwam in handen van collectieven met zelfsturing.

Thunnissen oogstte hiervoor lof. In 2002 werd ze overheidsmanager van het jaar wegens haar „stijl van leidinggeven aan een groot en complex bedrijf” en het „doordacht communiceren gebaseerd op een heldere visie”.

Het gros van haar 30.000 medewerkers (een kwart van alle rijksambtenaren) dacht daar anders over. Dat bleek in 2004 uit de personeelsmonitor, een tweejaarlijkse rondvraag. Jenny Thunnissen en haar hoger management kregen een 4,9 als rapportcijfer. Niet meer dan 12 procent van de medewerkers was positief over de reorganisatie. De zelfsturing werkte niet, was niet efficiënt en de schaalvergroting maakte het werk onpersoonlijk.

„Het model van de collegiale besturen is een modeverschijnsel uit begin jaren negentig, dat allang weer achterhaald is”, zei toenmalig voorzitter Jo Engelen van de VHMF, de Vereniging van Hoofdambtenaren bij het ministerie van Financiën, in 2005 op de jaarvergadering van zijn vereniging in de Jaarbeurs in Utrecht. Het probleem was, volgens Engelen, dat door de groepsbesluiten nooit één iemand verantwoordelijk was. Ging er iets fout, dan was iedereen, dus niemand, verantwoordelijk. Het leverde weinig daadkracht en veel stroperigheid op.

De ‘zelfsturing’ leidde tot een stuurloze organisatie. Het model was ook bij andere departementen ingevoerd en zorgde ook daar voor problemen. Engelen, in zijn jaarrede die nooit openbaar gemaakt is: „Op sommige ministeries is het model afgeschaft, op andere formeel gehandhaafd, maar de facto teruggedraaid naar een meer klassiek model.”

Engelen en zijn VHMF werken niet mee aan deze reconstructie. Geen enkele ambtenaar mag van de dienstleiding met de pers of met politieke partijen praten.

Prestigieuze projecten

In 2002 ontstond de zelfsturende organisatie. Tezelfdertijd zorgde het kabinet-Balkenende II ervoor dat de Belastingdienst het drukker kreeg.

Zo moest de dienst per 1 januari 2006 zorg- en huurtoeslagen uitbetalen. Vanaf 1 januari 2005 verzorgde de fiscus al de kinderopvangtoeslagen.

De maandelijkse, inkomensafhankelijke betalingen vereisten een heel nieuwe aanpak. De Belastingdienst was tot dan toe namelijk gewend op één peildatum aangiften te verwerken. Bij de toeslagen was er geen peildatum. Het hele jaar door waren veranderingen mogelijk.

Naast de ‘toeslagen’ volgden andere projecten die de politiek graag uitgevoerd zag, zoals de premieheffing, de elektronische aangifte door ondernemers, de invoering van een persoonlijke DigiD-code en de vooringevulde aangifte inkomstenbelasting. De nieuwe taken noopten tot een complexe automatisering, dus met nieuwe software en computers. Die moesten verbonden worden aan de oude systemen.

Haperende computers

Tot en met 2002 waren de jaarlijkse beheersverslagen van de Belastingdienst onbezorgd van aard. De financiële dienstverlening verliep zonder „belangrijke fouten” (2002). Het beheersverslag 2003 brak met die traditie. Jenny Thunnissen meldde in haar voorwoord dat „sommige dingen” niet goed waren gegaan. De fiscus bleek opeens traag met voorlopige aanslagen en teruggaven.

Pas nadat de media hadden bericht over de problemen, stuurde toenmalig staatssecretaris Joop Wijn (Financiën, CDA) in februari 2004 een brief naar de Tweede Kamer. Daarin had hij het over „kinderziektes” in het Aanslag Belastingen Systeem. Wat er precies aan de hand was, zei Wijn niet. Betrokken ambtenaren melden nu dat het om een ontwerpfout ging.

Deze fout markeert het begin van de problemen. In de media doken steeds vaker berichten op over de gebrekkige dienstverlening en de falende automatisering. Zo stuurde de Belastingdienst in januari 2004 bij het innen van de loonheffing honderdduizenden bedrijven acceptgiro’s met foute rekeningnummers.

Bij allerlei projecten deden zich problemen voor waar steeds meer burgers en bedrijven last van hadden. De haperende automatisering zorgde op haar beurt voor een overbelaste Belastingtelefoon.

Verzet tegen de top ‘belastingbreed’

De spanning liep op. Een verslag (24 juni 2004) van de groepsraad, het hoogste ‘collegiale’ besluitorgaan, meldde „het bijna stelselmatig uit schema gaan lopen” van grote ICT-projecten en een „woordenwisseling” over de slechte interne communicatie daarover.

In november 2004 drong vakbond VHMF er bij staatssecretaris Wijn op aan om iets te doen aan de organisatie en de automatisering. „Er moet zoveel veranderen dat je je afvraagt of systeem en mensen die hiervoor moeten zorgen het allemaal kunnen bijbenen. Het is een van de grootste zorgen op de werkvloer”, meldde toenmalig VHMF-voorzitter Jo Engelen achteraf in zijn jaarrede van 2005.

Jenny Thunnissen stuurde in juni 2005 alle medewerkers een brief. Daarin gaf ze toe dat het management „een beetje weggewaaid” was van het personeel. En dat men druk was met twee reorganisaties en drie grote automatiseringsprojecten. „Maar we hadden ons wel beter moeten realiseren dat júllie al die veranderingen en bezuinigingen moeten verwerken. En dat wij dan juist in deze omstandigheden dichtbij jullie hadden moeten zijn.”

Politieke druk

Het verzet tegen Wijn en Thunnissen kwam niet alleen van de hoofdambtenaren. Het was belastingbreed.

Voorzitter Ed van Veenendaal van de Algemene Vereniging van Belastingdeurwaarders kwam er onlangs nog op terug. Tijdens een ledenvergadering, dit jaar in het Algemeen Militair Tehuis in het Gelderse Stroe, verweet hij de dienstleiding nieuw beleid te ontwikkelen zonder rekening te houden met de praktische uitvoerbaarheid. „Politiek gestuurde prestigieuze projecten moesten hoe dan ook slagen, ondanks de wetenschap dat onze automatiseringssystemen hierop niet waren toegerust.”

Ook deze voorzitter wil geen toelichting geven. „De jaarrede is een intern stuk”, zegt Van Veenendaal aan de telefoon.

De druk vanuit het kabinet en de coalitiepartijen CDA en VVD om de ‘prestigieuze projecten’ uit te voeren was groot, in het najaar van 2005. Ze móésten doorgaan, ondanks de problemen met de reorganisatie en de automatisering, ondanks het weggewaaide management.

Een van de projecten was SUB-Walvis, oftewel de overheveling van het heffen en innen van de premies werknemersverzekeringen van uitvoeringsinstituut UWV naar de Belastingdienst.

Het besluit om dit megaproject door te zetten – een geldstroom van 90 miljard euro moest worden omgeleid – viel na een positief advies van Jenny Thunnissen en Joop Linthorst, voorzitter van de raad van bestuur van het UWV. In een brief (5 juli 2005) adviseerde het duo staatssecretaris Wijn de overheveling op de geplande datum te laten doorgaan. Uitstel was niet nodig, ook al was het niet absoluut zeker dat de bijbehorende automatisering goed zou werken. De betrouwbaarheid van de gegevens had „een hoog risicoprofiel” stond in de brief. Maar daarvoor waren „maatregelen in voorbereiding”.

Een garantie op succes ontbrak, maar het kabinet zette door. Daarna ging het vrijwel meteen fout. UWV en Belastingdienst konden geen gegevens uitwisselen. Meer dan 100.000 werkgevers moesten opnieuw loongegevens insturen. Ook de afrekening van zorg- en huurtoeslagen liep daarna in het honderd.

Bezuinigingen

Terwijl een reorganisatie de dienst op zijn kop zette, er ingrijpend aan de automatisering gesleuteld moest worden en er nieuwe taken bijkwamen, volgden tegelijkertijd bezuinigingen en een personeelsstop.

Het kabinet-Balkenende II liet de Belastingdienst (tussen 2003 en 2007) 3.450 van de 30.000 arbeidsplaatsen inleveren. Dat kwam vooral hard aan bij automatiseringsafdeling B/CICT, de spil bij het uitvoeren van de nieuwe taken. B/CICT is de grootste ICT-dienst van de rijksoverheid. De afdeling zit in het Walter-Boscomplex in Apeldoorn, een postmodern kantorencomplex.

Van de 3.400 banen bij B/CICT moesten er 700 weg. De afdeling kon „goedkoper, efficiënter en klantgerichter”, zei B/CICT-directeur Richard van Breukelen in een bijeenkomst met de ondernemingsraad op 3 december 2003.

Van Breukelen vond dat zijn afdeling meer kon bezuinigen dan 10 procent. Volgens de directeur was een besparing van 20 procent „reëel”, staat in de notulen van de bijeenkomst.

De ondernemingsraad wilde dat er minder banen geschrapt werden, omdat er nieuwe taken bijkwamen. Dat wees Van Breukelen af. De notulen: „Het managementteam heeft geconstateerd dat de processen met minder mensen uitgevoerd kunnen worden.”

Ambtenaren die op de afdeling werkten, trekken die conclusie in twijfel. Ze verwijten hun management onvoldoende ervaring te hebben gehad om de complexe ICT-projecten te leiden. Van Breukelen bijvoorbeeld, was geen ICT-man, maar een fiscaal econoom uit de ‘blauwe dienst’, de afdeling die de aangiftes behandelt. Volgens de Belastingdienst had hij voldoende knowhow.

Regels overtreden

De politieke druk was groot. Ambtenaren van de automatiseringsafdeling vertellen: „Probleem was dat de politiek onmogelijke ‘opleveringstermijnen’ eiste, en dat Van Breukelen en Thunnissen geen nee zeiden. Het leidde tot onvolmaakte systemen. Zie het zo: als voor het bouwen van een huis twaalf maanden staat, maar de klant wil dat het in zes maanden klaar is, dan moet je niet vragen of het huis aan het Bouwbesluit voldoet.”

Om de ‘opleveringstermijnen’ van het kabinet te halen, was ook creativiteit nodig: „Omdat Europese aanbestedingen enige tijd duren, hield men zich niet aan die regels.” Zo kon het gebeuren dat een ICT-bedrijf als IBM in strijd met de aanbestedingsregels voor zeker 100 miljoen euro opdrachten kreeg.

Volgens ambtenaren van het departement waren te dure aanbestedingen er mede de oorzaak van dat de afdeling hoge kosten had. In rapporten die geheim worden gehouden staat dat de afdeling in vergelijking tot de markt veel te duur was, melden de ambtenaren. Het gaat om twee benchmarkrapporten van het Amerikaanse adviesbureau Gartner. De Tweede Kamer kent ze niet.

De Belastingdienst geeft het bestaan toe, maar zegt de rapporten niet vrij te geven omdat ze deel uitmaken van een „intern proces om het functioneren van de organisatie te beoordelen”.

Het was niet de eerste keer dat de Belastingdienst een creatieve oplossing vond voor een probleem.

In 2004 bleek dat de fiscus uit praktische overwegingen met de bewoners van een woonwagenkamp in Maastricht de afspraak had gemaakt dat zij slechts 3 procent belasting hoefden te betalen over de omzet van hun handel. Staatssecretaris Wijn zei hierover in de Kamer: „Ik maak mij daar behoorlijk boos om. Afspraken maken tegen de wet in, door medewerkers van de Belastingdienst, kan absoluut niet.”

De woorden van Wijn waren geen garantie dat de Belastingdienst zich voortaan aan de wet hield.

Bronnen melden dat de fiscus vorig jaar en begin dit jaar de eigen deurwaarders belastingschulden liet invorderen zonder dwangbevel. Aanleiding waren, alweer, automatiseringsproblemen en een gebrek aan mensen. Volgens artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen belastingdeurwaarders echter in bezit te zijn van een dwangbevel om te kunnen invorderen.

Voorzitter Van Veenendaal van de Algemene Vereniging van Belastingdeurwaarders roerde de kwestie dit jaar aan in zijn jaarrede. Hij riep zijn leden op „niet te zwichten” voor „beleidsmakers en enkele leidinggevenden, die door het tekortschieten in de automatisering steeds meer geneigd zijn een praktische oplossing te zoeken, ook al is dit soms in strijd met de huidige wet- en regelgeving”.

De Belastingdienst zegt desgevraagd dat de wet niet is overtreden, maar geeft toe dat het „een ongewenste situatie” was dat de deurwaarders zonder dwangbevel op pad zijn gestuurd. „Nadat dit op het departement bekend is geworden is onmiddellijk actie ondernomen (mei 2007) en is de instructie naar de regio’s uitgegaan dat de deurwaarder ten tijde van de beslaglegging over het dwangbevel dient te beschikken.”

Hoe is het afgelopen met de kinderopvangtoeslag van Annemarie uit Haarlem?

Ze belde met de Belastingtelefoon. Annemarie: „Ik moest die 36.000 euro natuurlijk terugbetalen, zei de medewerkster die ik aan de lijn kreeg. Maar het kon nog wel eens een hele tijd duren. Ze adviseerde: ‘Zet het geld maar op een rekening met veel rente. Dan houdt u er nog iets aan over. Zie het als cadeautje van ons’. Toen moest ik dus héél hard lachen.”

Dit is het eerste deel van een serie. Volgende week verschijnen deel twee – hoe de controle inzakte, ‘fiscale avonturiers’ ruim baan kregen en de Kamer niet alles verteld is – en deel drie, een interview met Jenny Thunnissen, directeur-generaal van de Belastingdienst.

Standpunt VHMF

Standpunt VHMF inzake Ambtenarenstatus   

1.     De VHMF is tegen het voorstel om de ambtenarenstatus af te schaffen, in ieder geval voor de belastingambtenaren.

2.     Wij willen geen twee systemen in onze Belastingdienst, dus onze argumenten gelden dan ook voor de medewerkers die niet onmiddellijk (of slechts ondersteunend) in de rechtshandhaving werken.

3.     Om meerdere redenen is de ontslagbescherming in het publieke systeem beter en efficiënter geregeld dan in het private systeem. Dat is ook noodzakelijk en geboden, omdat de belastingambtenaar staatsrechtelijk bijzondere bescherming verdient. Dat borgt een meer integere uitvoering van de wetgeving, maar dat is ook een waarborg voor een meer integere politiek, en in die zin een bescherming van de politiek tegen zichzelf. Dus een waarborg voor een zuiverder staatsbestel.

4.     Het instemmingsvereiste van twee of meer vakcentrales in het publieke systeem is om meerdere redenen ons inziens superieur aan de vereiste instemming van één vakbond van een CAO in het private systeem. Mocht dat niet lukken dan bepleiten wij een aparte CAO voor het hoger personeel.

5.     Er blijven altijd twee systemen, het publieke en het private, dus het argument van de vereenvoudiging is niet ter zake.

6.     In een mogelijk privaat systeem worden de (nog) hogere eisen aan de ambtenaar vastgelegd in een wet (Ambtenarenwet). De andere kant van de medaille, de rechtsbescherming, wordt niet wettelijk verankerd, maar geregeld in een CAO, die je elk jaar kunt wijzigen. Dat vinden wij onevenwichtig, een disbalans.

7.     In beide systemen is er behoefte aan een betere bescherming van de ambtenaar, door het meer op afstand zetten van de rechtspositionele voorwaarden, door bijvoorbeeld de invoering van (een variant op) het Zweedse model.

8.     Behalve de vele zakelijke argumenten, is er een belangrijk emotioneel aspect, mede een gevolg van het gevoel van steeds verdere achterstelling van de ambtenaar t.o.v. de private sector.  De steeds groter wordende salarisachterstand t.o.v. de private sector geldt vooral voor het hoger personeel.

9.     Een verdere uitwerking en aanvulling van onze argumenten vind u in de bijlage. Ceteris paribus zijn de argumenten uit  deze bijlage ook voor andere groepen van toepassing.

    

Met vriendelijke groet,

  

Namens de VHMF,

  

Mr. J M.J. (Jo )Engelen

  

Bijlage: Argumenten tegen afschaffen ambtenarenstatus medewerkers belastingdienst

Argumenten tegen afschaffen ambtenarenstatus medewerkers belastingdienst

Inleiding

 

Het gebruik van een privaatrechtelijk instrument als de arbeidsovereenkomst in een zuiver publieke omgeving als die van rechtshandhavers is volgens de VHMF een ongelukkige keuze.

 

De taken/functies van verschillende groepen ambtenaren wijken qua karakter zo zeer van elkaar af, dat je ze in de discussie over verdere normalisering (lees: afschaffing van de ambtenarenstatus) niet over één kam kunt scheren. Aan de ene kant van het spectrum zitten ambtenaren waarvan de taak weinig tot geen specifiek publieke kenmerken heeft. Daarbij kan bijvoorbeeld aan het onderwijs worden gedacht. Niemand zal kunnen volhouden dat een onderwijzer aan een openbare basisschool op staatsrechtelijke gronden persé ambtenaar moet zijn, waar zijn collega van de bijzonder neutrale school al geen ambtenaar meer is. Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich de ambtenaren die belast zijn met rechtshandhavingstaken. Hun taak ligt volledig in het kenmerkende exclusieve publieke domein. In dit stuk wordt alleen aan deze laatste groep gerefereerd.

 

De VHMF neemt geen standpunt in ten aanzien andere groepen ambtenaren als bijvoorbeeld het onderwijs, dat is een zaak van deze sectoren zelf. De VHMF staat voor alle ambtenaren werkzaam bij de belastingdienst. De taak van de belastingdienst is een publieke taak bij uitstek. De VHMF is tegen de afschaffing van de ambtenarenstatus van alle ambtenaren werkzaam bij de belastingdienst. De argumenten die de VHMF heeft, hebben echter een bredere werking namelijk voor alle ambtenaren werkzaam in het zuivere publieke domein, zoals rechtshandhavers.

 

Ik zal eerst aantonen dat de ontslagbescherming van de ambtenaar verslechtert, als de ambtelijke aanstelling wordt vervangen door een arbeidsovereenkomst. Aansluitend zullen een aantal argumenten worden aangereikt, die aangeven dat gezien het bijzondere karakter van de positie van de rechtshandhaver het noodzakelijk is dat de huidige ontslagbescherming blijft bestaan. Vervolgens worden nog een aantal andere argumenten aangesneden. Tenslotte wordt nog aangegeven dat een aantal van de geformuleerde doelstellingen van de normalisering (eenvoud en transparantie) vermoedelijk niet bereikt zullen worden. Sommige argumenten zijn principieel van aard, hebben een staatsrechtelijke basis en zijn daarom wat theoretisch van aard. Andere zijn praktisch of liggen zelfs enigszins op het emotionele vlak.

Het stuk wordt afgesloten met het uiteenzetten van het standpunt van de VHMF dat het overeenstemmingsvereiste voor het maken van een CAO moet blijven bestaan.

  Verslechtering ontslagbescherming  

Na afschaffing van de ambtenarenstatus, zal het gewone ontslagrecht ook voor ambtenaren gaan gelden. Voorstanders van afschaffing hebben de neiging deze verslechtering te bagatelliseren. De VHMF zet de verslechteringen voor u op een rijtje.

 

Binnen het ambtenarenrecht bestaat een zogenaamd gesloten ontslagsysteem. Dit betekent dat een overheidsorgaan een ambtenaar alleen kan ontslaan op een grondslag zoals genoemd in de rechtspositieregeling. Het overheidsorgaan is dus gedwongen om een ontslaggrond te kiezen die is genoemd in de rechtspositieregeling van de ambtenaar.

 

Dit is een voordeel, omdat het de werkgever dwingt om precies aan te geven waarom de ambtenaar moet worden ontslagen. Het dwingt dus tot het concreet motiveren wat er aan een ambtenaar niet deugt, als men hem wil ontslaan (reorganisatie-ontslag daargelaten). Dit in tegenstelling tot het private ontslagrecht waarin niet een dergelijke ontslaggrond behoeft te worden aangegeven. Hetgeen in de praktijk meestal tot een zeer vage motivering leidt. Van een exacte ontslaggrond gaat ook een preventieve herstellende werking uit, omdat op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel vooraf een dossier met een goede motivering voor het ontslag moet worden opgebouwd. Dat dwingt tot confrontatie over het presteren van de ambtenaar (beoordelingen) en leidt in veel gevallen tot verbetering (excessen als integriteitskwesties daargelaten). Ook de bezwaarfase, die het huidige systeem kent, voorkomt in veel gevallen de noodzaak van ontslag. In beginsel gaat de bezwaarfase verloren bij afschaffing van de ambtenarenstatus. In een CAO kan echter wel een vergelijkbaar instrument (surrogaat) worden afgesproken.

 

In het private ontslagrecht is bovendien de civiele rechter competent en verdwijnt de bestuursrechter dus uit beeld. De bestuursrechter heeft diverse voordelen voor de ambtenaar/werknemer ten opzichte van de civiele rechter:

·         De bestuursrechter is minder lijdelijk dan de civiele rechter en compenseert de ongelijkwaardigheid van partijen daardoor enigszins. Er is sprake van ongelijkwaardigheid omdat de overheid als werkgever beschikt over veel meer expertise en middelen om indien nodig oneindig te kunnen doorprocederen.

·         De bestuursrechter kent geen verplichte procesvertegenwoordiging. In het civiele proces is dat alleen bij kantonrechter ook zo. Hoger beroep bij de rechtbank of gerechtshof vereist procesvertegenwoordiging. Bij verlies bij de kantonrechter zal de overheid/werkgever het daar echter zelden bij laten. Overigens pleegt de kantonrechter vrijwel altijd in te stemmen met een eis tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, wegens verstoorde arbeidsrelatie. Voor de ambtenaar als individu is de drempel voor hoger beroep enorm, de kosten van een advocaat kunnen hem ruïneren in een tijd (ontslag) waarin hij het toch al zwaar heeft.

   Huidige ontslagbescherming voorwaarde voor integriteit overheid 

Rechtshandhavers bedienen zich indien nodig van het geweldsmonopolie van de Staat, waarbij geweldsmonopolie uiteraard zowel in juridische als in fysieke zin moet worden opgevat. Dergelijke taken verdienen staatsrechtelijk bijzondere bescherming. Bedreigingen komen voor de ambtenaar van twee kanten. In de eerste plaats van de burgers en bedrijven die de rechtshandhaving moeten onder gaan en daar negatieve gevoelens bij kunnen ontwikkelen. Dit kan leiden tot repercussies van burgers al dan niet in hun netwerken. Een andere in de praktijk veel voorkomende factor is, dat burgers en bedrijven de rechtshandhaving proberen te ontlopen door (politieke) machthebbers voor hun karretje te spannen/ of daarmee te dreigen. Bij de belastingdienst kennen we dit als het zogenaamde “boven over (dreigen te) gaan”. Daarnaast levert een correcte rechtshandhaving niet zelden een persoonlijke klacht ten aanzien van de betrokken ambtenaar op. De percepties van de wenselijke uitkomst (wat is het juiste bedrag van de correctie op de aangifte en welke boete is passend en geboden?) verschillen namelijk nogal.

 

Het controleren, heffen en innen van belastingen gaat nooit helemaal zonder weerstand en spanningen. Om hierin succesvol te kunnen zijn moet een ambtenaar zich geen zorgen hoeven te maken, of die gebruikelijke weerstand een bedreiging voor zijn broodwinning kan gaan vormen. Het minste dat de overheid kan doen is dus haar ambtenaren een goede de bescherming tegen ontslag te bieden. Als een ambtenaar een adequate ontslagbescherming moet ontberen, bestaat het risico dat correcties tot lagere bedragen dan eigenlijk verschuldigd zouden zijn worden aangebracht om persoonlijke problemen te voorkomen. Daarmee zou een stuk rechtvaardigheid in de belastingheffing verloren kunnen gaan. De huidige ontslagbescherming voor ambtenaren van de belastingdienst is daarom dus een noodzaak.

 

Aan de andere kant dienen de rechtshandhavers beschermd te worden tegen de wetgevende en politieke macht. Politieke machthebbers (ook op decentraal niveau) en hun opvattingen zijn vaak tijdsgebonden (waan van de dag) en de verleiding tot niet geheel integere beïnvloeding van de uitvoering is aanwezig. De uitvoering en als exponent daarvan de rechtshandhavers, dienen daartegen, doormiddel van een goede ontslagbescherming, beschermd te worden.

 

In een normale dienstbetrekking met regulier ontslagrecht is het voor een ambtenaar moeilijker om weerstand aan oneigenlijke druk te bieden (ik heb het dan over corruptie en integriteitskwesties) dan in de huidige situatie. Die druk kan overigens ook van een collega-ambtenaar of leidinggevende komen.

Een goede ontslagbescherming van de ambtenaar is indirect ook een bescherming van de integriteit van politici en bestuurders. De goed beschermde ambtenaar zal namelijk enige weerstand bieden bij aandrang van politici/bestuurders tot niet-integer handelen. Daarmee is de ontslagbescherming van de ambtenaar ook een bescherming van de politici/bestuurders tegen hen zelf.

Bij integriteitsinbreuken op het overheidsapparaat hoeft het overigens niet altijd om eigenbelang te gaan. Dr. Andries Hoogerwerf (emeritus hoogleraar van de Universiteit Twente) schrijft in “Politiek als evenwichtskunst” namelijk:

 

“Er zijn ook domeinconflicten tussen recht en beleid, waarbij beleidsmakersof beleidsuitvoerders trachten meer beleidsruimte te krijgen en hun doeleinden te bereiken op een manier die in strijd is met wettelijke regels f algemene beginselen van behoorlijk bestuur” (blz.193)..

Als voorbeeld hiervan wijst hij op de parlementaire enquêtecommissie inzake de bouwsubsidies. De commissie merkte op:

“Regelgeving verliest zijn functie, als wordt toegestaan, dat zich los van de geldende regeling een praktijk ontwikkelt die volgens de particuliere of politieke opvattingen van de bewindslieden of de individuele ambtenaren het algemeen belang beter dient”(TK, 1987-1988, 19623 nr. 30: 276;Snellen, 1989: 5-6).  

Van een ambtenaar wordt verwacht dat als hij geconfronteerd wordt met oneigenlijke druk om in een bepaald geval in strijd met het vigerende beleid juist wel of juist niet tot handhaving over te gaan, daaraan een zekere weerstand biedt. Die weerstand kan bestaan uit het tegenspreken of breder maken van de integriteitsinbreuk. Hij loopt daarmee een risico op persoonlijke sancties, in ultieme vorm ontslag. Met het huidige ontslagrecht weet de ambtenaar dat men een bepaalde ontslaggrond zal moeten aanwijzen. Als zijn reguliere beoordelingen in orde zijn, kan hij het risico op ontslag nemen. Daarbij weet hij zich gesteund door de actieve en  laagdrempelige bestuursrechter. Als het gewone ontslagrecht van toepassing is, heeft de ambtenaar in het achterhoofd dat een vage ontslaggrond al voldoende kan zijn en hij substantiële advocaatkosten riskeert. De kans is groot dat de ambtenaar zich achter de oren krabt en weerstand tegen de integriteitsinbreuk achterwege laat.

 

De betere ontslagbescherming van de ambtenaar is in die zin een waarborg voor overheidsintegriteit. Uiteraard is het zo dat als alle betrokken spelers altijd zuiver integer opereren er in beginsel niets aan de hand is. In de praktijk liggen zaken genuanceerder, belangen wisselend en zal er altijd met enige regelmaat frictie ontstaan tussen uitvoering en de (zachte) drang het geldende handhavingsbeleid in individuele gevallen niet toe te passen. De bestaande ontslagbescherming van de ambtenaar heeft in die fricties een dempende werking. De ambtenaar kan immers enige weerstand bieden (klokkenluiderfunctie) in de wetenschap dat hij niet zomaar ontslagen kan worden, daarvoor is immers een ontslaggrond nodig. In geval van ontslag biedt de bestuursrechter adequate bescherming.

 

Verslechtering van de ontslagbescherming van de ambtenaar betekent dus een ernstige bedreiging van de integriteit van de overheid.

  Huidige ontslagbescherming niet verslechteren vanwege andere aspecten. 

Grillig karakter ambtelijke omgeving

 

Kenmerkend voor het publieke domein is dat de marktwerking ontbreekt. Dit wordt altijd aangehaald als een factor die er voor zorgt dat de ambtenaar in een wat zachtere omgeving opereert dan de werknemer in het bedrijfsleven. In bepaalde opzichten kan dit echter ook als een nadeel voor de ambtenaar werken. De economische mores kan immers ook een dempende werking hebben. Als de afzet van een product enorm stijgt, zal, uitzonderingen daargelaten, het productieapparaat niet worden ingekrompen. In de publieke sector ligt dit anders, daar is het (lokale) politieke klimaat bepalend. Heel goed denkaar is, en de praktijk kent daar ook voorbeelden van, dat het politieke programma voorziet in een afname van het aantal ambtenaren, zonder dat wordt aangegeven welke publieke taken niet meer zullen worden vervuld. Discussies van politici gaat maar al te vaak over % minder ambtenaren, zelden over het vervallen van taken. Daarnaast worden in het politieke proces soms nieuwe taken bij overheid weggelegd, zonder dat dat tot extra ambtenaren leidt. Een goede rechtsbescherming voor ambtenaren is in dat kader niet onredelijk.

  Tegenwicht tegen nadelige werking budgetrecht parlement.

Voorstanders stellen dat het afschaffen van de ambtenarenstatus de overheid op afstand zal zetten bij CAO-onderhandelingen. Dit zou een voordeel zijn voor de overheidswerknemers. Als dit werkelijk bereikt zou kunnen worden, is dat een nastrevenswaardige zaak. Al bij het sluiten van een regeeraccoord lijkt de maximale loonruimte voor de overheid voor een aantal jaren vaak al vast te liggen. Zou de greep van de overheid op de CAO-onderhandelingen losser verband worden, dan gaan we er op vooruit. Maar is het normaliseren van de arbeidsverhouding daartoe een effectief middel? De VHMF denkt van niet.

 

Om tot een losser verband tussen wetgever en overheidswerkgever te komen via normalisering van de arbeidsverhoudingen moet in de eerste plaats de minister zich los maken van het kabinet, wanneer hij zijn pet als overheidswerkgever draagt. In de tweede plaats moet de Tweede Kamer met betrekking tot haar budgetrecht een pas op de plaats maken. Beide voorwaarden lijken de VHMF in de praktijk vrijwel onrealiseerbaar. De minister van BZK kan zich budgettair niet aan zijn collega van financiën onttrekken, hij is immers ook deel van het kabinet. Van de Tweede Kamer mag uit staatsrechtelijk oogpunt niet gevraagd worden concessies op hun budgetrecht te doen.

 

Als het doel is om de band tussen de wetgever en de overheidswerkgever losser te maken, zijn aanzienlijk eenvoudiger en effectievere oplossingen denkbaar. Zo kan de minimale en maximale loonruimte wettelijk bijvoorbeeld gekoppeld worden aan een gemiddelde loonruimte van een aantal vergelijkbare cao’s in de marktsector. Een andere optie is een min of meer onafhankelijke instantie (als bijvoorbeeld de rekenkamer) een bindend advies over de loonruimte te laten geven, zoals thans overwogen wordt ten aanzien van de beloning van de tweede kamerleden zelf.

De conclusie is dat het middel afschaffen ambtenarenstatus het gestelde doel niet dichterbij brengt.  Als men daadwerkelijk dit doel wil bereiken, laten we dan een aantal suggesties voor een effectiever middel daartoe uitwerken.

Zolang het budgetrecht voor het parlement op dit punt blijft bestaan, is er dus sprake van een min of meer éénzijdig opleggen van de arbeidsverhoudingen. Het is dan niet onredelijk dat nadeel enigszins te compenseren met betere ontslagbescherming.

 

In paragraaf 2.3.2 van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek, nr. 6, “Buitengewoon normaal” is de stelling opgenomen dat sturing via budgetmechanisme nooit tot neerwaarts bijstellen van de arbeidsvoorwaarden leidt, omdat de overheid in tegenstelling tot de marktsector niet failliet kan. Daarmee wordt betoogd dat het nadeel van het budgetrecht van de tweede kamer een compenserend voordeel zou hebben. Dit gaat echter niet op! Neerwaarts bijstellen van arbeidsvoorwaarden is wel degelijk mogelijk gebleken, als u bestek `81 vergeten bent, dan zijn de laatste CAO’s ook een aardig voorbeeld (afschaffen BZTR).

  Tegenwicht tegen beperking grondrechten. 

Een ambtenaar wordt beperkt in zijn grondrechten, al is die beperking nu aanmerkelijk minder dan vroeger. Zo mogen ambtenaren nu in beginsel staken. Maar het platleggen van het centraal betaalkantoor door staking zal niet kunnen. Ook staat het de ambtenaar niet vrij zijn gedachten en gevoelen zomaar te openbaren als ieder ander. De ambtenaar heeft door deze beperking van zijn grondrechten dus een enigszins zwakkere positie dan de reguliere burger. Bij BZK bestaat het voornemen het aantal voorschriften en beperkingen aan ambtenaren verder op te voeren, “versterken van de positie van de ambtenaar” zoals dat zo fraai heet. De VHMF vindt het een onevenwichtige benadering de regels voor ambtenaren nog verder aan te scherpen en tegelijkertijd zijn rechtsbescherming af te breken.

  

Grondwettelijke bescherming uitgehold?

 

Artikel 109 van de grondwet luidt als volgt:

“De wet regelt de rechtspositie van de ambtenaren. Zij stelt tevens regels omtrent hun bescherming bij de arbeid en omtrent medezeggenschap”.

Hieruit volgt dat de formele wetgever de genoemde zaken moet regelen. Nu bepaalt de grondwet niet zelf wie ambtenaar is, dat kan de gewone wetgever bepalen (Ambtenarenwet). Theoretisch is dus denkbaar dat de wetgever de definitie van wie ambtenaar is, ingrijpend wijzigt. Het gevolg zou zijn dat deze grondwetbepaling in plaats van voor alle ambtenaren (nu circa 600.000) dan nog maar voor een zeer beperkte groep (defensie, rechters, e.d.) zou gelden.

Een zo drastische afname van de materiële werking van de grondwettelijke bescherming is volgens de VHMF aan te merken als een onbedoelde uitholling van de grondwet. Het zou de wetgever dan ook sieren om een dergelijk vraagstuk als het afschaffen van de ambtenarenstatus aan de grondwetgever over te laten. Het gaat hier namelijk om een fundamentele ingreep. In dit licht is het feit, dat Nederland bij een volledige normalisatie een uitzonderingspositie in Europa op dit punt zou innemen, markant.

  Algehele rechtsbescherming ambtenaar verslechtert na afschaffen ambtenarenstatus 

Hiervoor is telkens betoogd dat de bijzondere positie van rechtshandhavers de huidige ontslagbescherming noodzakelijk maken. De overgang naar een privaatrechtelijke dienstbetrekking verslechtert echter niet alleen het ontslagrecht. Ook ten aanzien van al hetgeen de ambtenaar rechtsreeks in zijn individuele belang schaadt, geldt thans de veel betere bescherming van de algemene wet bestuursrecht en de bestuursrechter. Het ontslagrecht is  te beschouwen als de exponent van de ambtelijke positie, uiteraard gelden de argumenten op dit punt ook ten aanzien van het verlies van zijn overige bescherming.

  

Verslechtering concurrentiepositie overheid op arbeidsmarkt

 

De ambtenarenstatus is een plusje in het magere arbeidsvoorwaardenpakket voor hogere ambtenaren. Het totale arbeidsvoorwaardenpakket wordt door potentiële werknemers afgewogen in de keuze voor de markt of voor de overheid te gaan werken. De huidige ambtenarenstatus, ook al zie je dat slechts als een feel good-factor, betekent toch het wegnemen van één van de weinige pluspunten. Dit verslechtert de concurrentiepositie van de overheid op arbeidsmarkt voor academici en HBO-ers nog verder. De overheid heeft het op dit punt al zwaar in de concurrentie met het bedrijfsleven.

  “Negatieve emoties” bij veel ambtenaren. 

In paragraaf 1.2 van haar advies gaat de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) in op het essentiële verschil tussen werken voor de marktsector en het zijn van ambtenaar. De VHMF onderschrijft de constatering van dit verschil ten volle. Als nadeel van het afschaffen van de ambtenarenstatus benoemt de raad het feit dat dit veel negatieve emoties bij ambtenaren oproept.

De VHMF is van mening dat dit effect niet moet worden onderschat. De negatieve emoties zouden kunnen leiden tot een andere basisattitude van de overheidswerknemer ten aanzien van zijn publieke taak. Het signaal “je bent geen ambtenaar meer maar een gewone werknemer met een gewone dienstbetrekking” roept die emotie ook wel enigszins op.

Andries Hoogerwerf schrijft in “Politiek als evenwichtskunst” over verklaringen voor het bestaan van bestuurlijke fraude en corruptie het volgende:

“Één daarvan is dat er politici en ambtenaren zijn die meer hun carrière en hun financiële eigenbelang dan het algemeen belang nastreven. Een andere verklaring is dat fraude en corruptie in de hand worden gewerkt door het politieke marktdenken: de bedrijfsmatige bestuurscultuur van `de BV Nederland`”(blz. 192).

Het opheffen van de ambtelijke status lijkt de VHMF een riskante factor geplaatst in de context van dit citaat. Als de basisattitude van de ambtenaar inderdaad zou verschuiven, gaat daarmee mogelijk meer verloren dan ons lief is.

 

Het volgende voorbeeld kan daarbij opgeroepen worden. Na een intensieve controle naar de materiële belastingschulden, moet ook nog een onderzoek naar verwijtbaarheid van de ondernemer worden gestart. Uitsluitend het besef dat dit in het belang van de publieke zaak in zijn algemeenheid is, zal een ambtenaar er toe voeren, dit vervelende, door iedereen niet gewilde, deel van zijn werk te doen. Een inspanning mogelijk uitmondend in een bescheiden boetebeschikking, die uiteraard een kosten-batenanalyse uit de marktsector niet zal doorstaan. Ook de “klanttevredenheid” (weer die marktsector) neemt af. Hoe groot is de verleiding dan maar af te zien van een echt schuldonderzoek? Een ander voorbeeld: het gelijkheidsbeginsel brengt met zich mee dat bij nog een paar lastige klanten geringe bedragen gecorrigeerd moet worden, wat gepaard zal gaan met veel verzet en tijdbeslag. Vanuit het marktdenken natuurlijk geen goede besteding van tijd en moeite…. Het gelijkheidsbeginsel dan maar even vergeten? Dergelijke risico’s worden mijns inziens vergroot doordat normalisatie opgevat kan worden als signaal dat het werken bij de overheid “normaler” (lees: meer in overeenstemming met de marktsector)  is dan “vroeger”. Kortom hier valt meer te verliezen dan een enkele traan bij wat ambtenaren…

  

Theoretisch bezwaar tegen de methodiek

 

Rechtshandhaving is een exclusieve taak voor de overheid. In de marktsector kom je dergelijke taken niet tegen. De methodiek die nu wordt nagestreefd is in feite een poging het instrument uit de marktsector (de privaatrechtelijke dienstbetrekking) toe te passen in het exclusieve publieke terrein

 

De VHMF verwacht op grond van de fundamentele verschillen tussen de vrije markt en het exclusieve publieke domein dat er moeilijkheden zullen ontstaan. Gezien de specifieke kenmerken van de taakuitoefening in het publieke domein is de ambtelijke (eenzijdige) aanstelling meer geschikt dan een (tweezijdige gewone) dienstbetrekking. In de verhouding ambtenaar en overheid zit nu zowel de zuivere werkgevers-werknemersverhoudingen besloten, als de specifieke elementen van overheidsgezag jegens ambtenaren (beperking grondrechten, integriteit, houdingsaspecten, etc). Wanneer wordt omgeschakeld naar een gewone dienstbetrekking zal dit laatste aspect van het ambtenaar zijn in separate regelgeving moeten worden vastgelegd. De overheid kan namelijk op twee manieren gezag uitoefenen (dwingend beïnvloeden). In de eerste plaats rechtstreeks (vrijwel alle beïnvloeding is mogelijk en bovendien flexibel), in de tweede plaats via regelgeving (gedetailleerde regelgeving die niet flexibel is en het risico van bureaucratische tendensen in zich draagt).

Op dit moment wordt via het “containerbegrip ambtenaar” een flexibel alles omvattend gezag uitgeoefend. De ambtenaar kan altijd via zijn ambtenaarschap worden aangesproken om een door de overheid gewenst gedrag te vertonen. Er bestaat ook een beleving bij ambtenaren die dit mogelijk maakt. Na normalisatie, zal alles op dit vlak wat niet uit een gewone werkgevers-werknemersverhouding voortvloeit via aanvullende wet en regelgeving moeten worden geregeld. Meeliften op de beleving van de ambtenaar (van het ambtenaar zijn en wat dat van hem vraagt), zal langzamerhand verdwijnen en plaatsmaken voor (naar de geest of de regel?) naleven van gedragscodes. Gedragscodes die aanpassing behoeven als de omstandigheden wijzigen. Met andere woorden, je loopt het risico permanent aan je nieuwe regelgeving te moeten sleutelen om te bereiken wat besloten lag in het handzame containerbegrip ambtenaar. Dit vloeit voort uit de inspanningen die het kost om een privaatrechtelijk instrument geschikt te maken en te houden voor een exclusieve overheidstaak. Dat indirect overheidsgezag uitoefenen veel regelgeving met zich mee kan brengen, blijkt bijvoorbeeld in de energiesector, waar rechtstreeks overheidsgezag na privatisering werd vervangen door indirect gezag. Zeer veel nieuwe regels en een nieuwe toezichthouder (DTE) waren het gevolg.

  Het wordt er niet eenvoudiger en transparanter op! 

Als één van de belangrijkste voordelen van afschaffing van de ambtenarenstatus wordt het bereiken van één systeem voor arbeidsverhoudingen in Nederland genoemd. De VHMF denkt dat dit doel niet bereikt zal worden. Afgaande op het advies van het ROP om in ieder geval defensie en de rechterlijke macht binnen het huidige ambtenarenbestel te houden, zullen er dus toch twee systemen bestaan (ambtenaren defensie c.s. en de marktsector). Maar eigenlijk wordt het nog minder transparant dan dat het nu is. Naast de ambtenaren (defensie cs) en de reguliere marktsector zal er een groep in de marktsector ontstaan met substantieel flankerende regelgeving (grondwettelijke beperkingen, gedragscodes e.d.). Wordt het daarmee eigenlijk niet nog gecompliceerder? Er moet immers erg veel geregeld worden, wat vroeger vanzelf meeging in het containerbegrip ambtenaar. Voor marktsector-exambtenaren moet je bijvoorbeeld ook een vervanging bedenken van het huidige Titel VIII in het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen het openbaar gezag). Deze regels werken immers ook met het begrip ambtenaar. In de praktijk hebben dergelijke bepalingen een algemene preventieve werking voor rechtshandhavers.

Om er nog een te noemen: de bezwaarfase uit het bestuursrecht verdwijnt met het afschaffen van de ambtenarenstatus. Nu kan in een CAO een vergelijkbaar instrument van heroverweging worden afgesproken. Daar moeten uiteraard wel dan allerlei spelregels voor worden bedacht ,afgesproken en vastgelegd. Deze spelregels staan nu in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Natuurlijk zou je weer kunnen afspreken dat de regels van Awb van toepassing zijn. Maar dan heb je eerst een bestaande regeling in bestuursrecht uitgeschakeld door het over te brengen naar een privaatrechtelijk instrument, om dan maar toch weer het bestuursrecht van toepassing te verklaren. Het paard wordt dan dus achter de wagen gespannen. Kortom er zal een oneindige stroom van wet en regelgeving nodig zijn om een volgens de VHMF dubieus effect te bereiken.

 

 

Het overeenstemmingsvereiste moet blijven bestaan

 

Het overeenstemmingsvereiste houdt in, dat met de meerderheid van de bonden overeenstemming moet worden bereikt voor een overheids-CAO. Het IBO-rapport stelt voor om dit vereiste te laten vallen. Als dat werkelijkheid wordt, kan de overheidswerkgever met één enkele bond een voor alle ambtenaren (in die sector) bindende afspraak maken. De VHMF is voor handhaving van het overeenstemmingsvereiste.

 

Het afschaffen van het overeenstemmingsvereiste lijkt in het rapport slechts een middel voor de overheidswerkgevers om te komen tot verdere negatieve ingrepen in de rechtspositie van ambtenaren. Het overeenstemmingsvereiste noopt alle bij de overheids-CAO betrokken partijen op dit moment tot overleg, afstemming en het rekening houden met wederzijdse belangen. Dat schept de noodzakelijke rust en stabiliteit in de arbeidsvoorwaarden. Omdat de meerderheid van de bonden met een CAO-afspraak moeten instemmen kan eenmaal bereikte overeenstemming in de regel op een groot draagvlak rekenen.

 

Alternatief: aparte CAO voor hoger en middelbaar personeel.

 

Als het overeenstemmingsvereiste toch zou sneuvelen, dan is de VHMF voor een aparte CAO voor het hogere en middelbare personeel. Ook in het bedrijfsleven komt dit verschijnsel bij grote organisaties vaak voor. Het hogere en middelbare personeel hebben, in ieder geval bij de belastingdienst, een eigen specifieke problematiek. Verhoudingsgewijs worden zij namelijk in vergelijking met de marktsector aanmerkelijk slechter beloond dan de overige ambtenaren. Een aparte CAO zou hier op in kunnen spelen. Voor deze personeelsgeleding bij de belastingdienst heeft de VHMF een zeer hoge dekkingsgraad en zou dus voldoende representatief zijn. Nogmaals, de VMHF is hier geen voorstander van. De VHMF pleit namelijk voor handhaving van het overeenstemmingsvereiste en voor solidariteit en samenwerking met de andere bonden.